Historiek

1° Oprichting – Het vrijwilligerstijdperk.


Op 9 januari 1755 kan Oostende houten loodsen afhuren die tijdens de Franse bezetting als stallingen voor cavaleriepaardenwerden gebruikt werden. Het noordelijke deel werd gebruikt om brandladders en brandspuiten te bergen. In 1781 krijgt een Schotse bankier de toestemming om de loodsen af te breken en er een bankgebouw te plaatsen. In dit gebouw werd een ruimte voorzien voor het bergen van blusmateriaal. Het blusmateriaal bestaat tot 1782 uit 3 ‘brandspuyten’ voorzien van ‘leeren darmen’ en ‘n 30 – tal ‘leere brandseulen’. De directeur van de brandspuiten is ‘n meestermetser , die bij brand een beroep doet op vrijwilligers. In 1790 vaardigt Napoleon zijn decreet met betrekking tot de gerechtelijke organisatie uit. In 1795 wordt ons land bij Frankrijk gevoegd en worden hun wetten hier ook van kracht.

stadsplan Oostende - anno 1820

In 1815 wordt de vereniging tussen Belgie en Nederland bekrachtigd onder het bestuur van Willem van Oranje. Op 15 april 1822 richt de Raad der Regering in Oostende, het Korps der Brandspuiters op, dat volledig bestaat uit vrijwilligers , ‘brandspuiters‘ genoemd . Aan het hoofd staat de stadsbouwmeester als ‘opper-spuitebaas’. Het effectief bedraagt 16 man verdeeld over 4 ploegen of escouades. De leiding over elke escouade is in handen van "eene spuitebaas". Het korps beschikt over 4 brandspuiten (armpompen). Het organiek reglement bepaalt dat de brandweerlieden bij voorkeur dienen gekozen te worden uit schaliedekkers, timmerlieden, loodgieters en metselaars. In geval van brand luidt de ciper van de gevangenis de politieklok in de toren en de politiecommisaris doet het nodige om de klok van de grote kerk te luiden. Iedere spuiter die op de een of andere manier kennis heeft gekregen van de brand, zal zich aanstonds naar zijn spuitehuizeken begeven om er zijn diensttekens en de werktuigen op te nemen. De chef van iedere escouade begeeft zich met zijn brandspuit, door mankracht voortgetrokken naar de brand. Enkel de eerste 2 brandspuiten die ter plaatse worden gebracht, mogen in werking worden gesteld. De overige 2 armpompen worden op ‘n afstand van 100 – 150 ellen (1el = 68 cm) opgesteld en door 2 man bewaakt. Alle overige manschappen begeven zich met emmers en tonnen naar de in werking zijnde brandspuit om die van het nodige bluswater te voorzien. Alle inwoners van de straat waar de brand woedt, moeten hun deuren openen om de brandweer toe te laten water uit hun regenbakken of steenputten te halen. Bovendien moeten zij voor hun huis kuipen voorzien die zij met water vullen zolang daar noodzaak aan is.

Op 7 februari 1838 – Belgie is intussen onafhankelijk geworden – wordt het korps uitgebreid tot 23 brandweermannen, nog altijd verdeeld over 4 ploegen. Zoals overal wordt frans de officiële voertaal en het korps heet dan voortaan ook: Corps Pompiers.

Op 29 april 1861 verschijnt er een 3 hoofdstukken tellend reglement dat het volgende omvat:

  1. Verhoede Schikkingen.
    Daar men in die tijd vooral te kampen had met schoorsteenbranden, die echter door eigen constructie en door de aard van de veelal zeer brandbare materialen, uitbreiden tot zware branden, besteedt men bij de preventie bijna uitsluitend aandacht aan de constructie en het onderhoud van de schoorstenen en ovens.
  2. Schikkingen te nemen in geval van brand .
    Men geeft aan het ‘Schepenlyk Collegie’ de bevoegdheid om, in geval van brand en voor zover nodig het vuur af te zonderen door het brandend pand af te breken. Alle manspersonen kunnen door de bevoegde overheid worden opgeeist om aan de reddindswerken mee te helpen.
  3. Organisatie van het Korps Pompiers.
    De stadsbouwmeester staat aan het hoofd van het korps dat 5 ploegen telt en in zijn geheel bestaat uit 5 escoade chefs , 6 onder escouade chefs (waarvan één de titel draagt van brigadier – commissaris ) en 28 pompiers.

    Toelatingsvoorwaarden:
    Voldaan hebben op de wet op de nationale militie. Ten minste 22 en ten hoogste 35 jaar oud zijn. Een engagement aangaan voor een termijn van ten minste 5 en ten hoogste 10 jaar. Van een onberispelijk gedrag zijn, en een kloeke lichaamsgesteldheid hebben.


1865 - het complete vrijwilligerskorps op oefening

 

2° Brandweer als onderdeel van de politie, oprichting van het beroepskorps.


In 1879 wordt ‘n princiepsakkoord gesloten voor het oprichten van een beroepskorps, hoewel men over het vrijwilligerskorps niet te klagen had. Het is immers zo dat, ondanks hun inzet en goede wil, het bij de vrijwillige pompiers aan twee noodzakelijke vereisten ontbrak: een gedegen technische opleiding en een snelle en vlotte manier om de pompen te verplaatsen en in werking te krijgen. Om die reden wordt het korps in 1883 gereorganiseerd en wordt overgegaan tot de aanwerving van personeel in vast verband wat voor Oostende het einde betekent van het vrijwilligerstijdperk.

Tot nogtoe beschikte de stad over volgende diensten :

  • politiekorps
  • nachtelijke waakdienst
  • dienst der brandpompen
  • riool – en waterdienst
  • bewakingsdienst der wandeldreven en parken.

Al deze diensten worden opgedoekt en vervangen door een politiekorps met daaraan ondergeschikt een brandweerkorps dat allerhande taken toebedeeld krijgt.

  • brandbestrijding
  • nachtelijke waakdienst
  • waterdienst
  • werking der riolen (openen en sluiten van de kranen bij hoog en laag water)
  • bewaking dreven en parken
  • bijstand geven aan politie wanneer deze een beroep op hen doet
     

Aan het hoofd van het brandweerkorps staat de adjunct-politiecommissaris. Op 31 december 1883 wordt het personeel vastbenoemd.

 

3° Eindelijk onafhankelijk.


De vorige organisatie leidde weldra tot talrijke moeilijkheden. De taken opgelegd aan de brandweer hadden tot gevolg dat er van politioneel werk niet veel in huis kwam. Anderzijds waren er op sommige ogenblikken onvoldoende pompiers in de kazerne om in geval van brand uit te rukken .
Daarom besluit het Stadsbestuur op 25 januari 1888 de brandweer nogmaals volledig te reorganiseren. Ze wordt een volledig autonome dienst met volgende taken:

  • brandbestrijding
  • besproeien van Zeedijk en openbare plaatsen
  • besproeien van de Vismijn en de markten
  • brandwacht in de schouwburg
  • brandwacht in het Kursaal en de Casino gedurende de zomer

De dienstregeling is 60 uur op en 12 af en om een efficiente dienstverlening te waarborgen is kazernering verplicht. Daarom ook moeten kandidaat brandweermannen aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • vrijgezel zijn
  • de militieplichten voldaan hebben
  • over een gezond lichaam beschikken
  • een beroep kunnen uitoefenen dat nuttig is voor de dienst
  • een stage van drie maanden uitdoen als vrijwillig brandweerman, dit om te voorkomen dat bepaalde elementen in het korps zouden ingelijfd worden waarvan later zou blijken dat ze niet over voldoende discipline en gehoorzaamheid zouden beschikken. 
     

Op 14 augustus 1896 vernielt een enorme brand de in 1712 gebouwde St-Pieterskerk. Om 12.05 uur wordt alarm geslagen. De brandweer is vlug ter plaatse maar staat vrijwel machteloos en moet zich beperken tot het vrijwaren van de belendende gebouwen en het behoud van de toren. Om 13.30 uur stort het dak volledig in. Rond 15u30 kunnen de pompiers de kerk betreden. De verwoesting is volledig, alleen de toren kon gered worden.

1896 - Brand St-Pieterskerk
1896 - brand Sint-Pieterskerk

Op 11 september 1896 wordt in de gemeenteraad naar aanleiding van deze brand geinterpellerd omtrent de organisatie van het brandweerkorps: ‘Gezien de pompiers voor alles en nog watgebruikt worden, zijn er op het ogenblik van het alarm, onvoldoende manschappen in de kazerne aanwezig. Daarom blijven de meeste pompiers slechts een aantal maanden in dienst tot ze een beter betaalde job gevonden hebben. Dit brengt mee dat men nooit over voldoende geoefend personeel kan beschikken.' Die kritiek ontlokt een gemeenteraadslid de volgende gebloemde uitspraak:‘…On ne peut cependant leur donner des traitements de ministre. Ils ne devraient pas se montrer si exigeants et ne pas vouloir que les poulets leurs tombent tout rotis dans la bouche.‘ Maar dat is nog niet alles: ‘Het materiaal deugt niet en is onvoldoende. Men beschikt slechts over 1 ladder en die is dan nog buiten dienst zodat men verschillende ladders aan elkaar vast moet binden. Door het schrappen uit besparingsoverwegingen, van de betrekking van commandant, was er niemand op de brand die de nodige deskundige leiding had.

In 1897 wordt Het Organiek Reglement gewijzigd en stelt men opnieuw de plaats van bevelhebber vacant met als graad luitenant–commandant. Het nieuwe O.R. ziet er dan als volgt uit:

Art.1 Oostende beschikt over een beroepsbrandweerkorps belast met:

  • de brandbestrijding
  • het reinigen van de openbare weg
  • het reinigen van de Vismijn en de markten
  • de brandwacht in de schouwburg
  • de brandwacht in het Kursaal en de Casino
  • het plaatsen, onderhouden en wegnemen van de prive telefoons (17 op dat ogenblik) en het plaatsen en onderhouden van het telegrafisch verklikker systeem (21 op dat ogenblik)
  • het demonteren , onderhouden en monteren van de zuigers van het hydraulisch chassis van het Kursaal.

Art.2 Het korps bestaat uit:

  • 1 luitenant – commandant
  • 1 brigadier – werktuigkundige
  • 1 onderbrigadier – werktuigkundige
  • 2 brigadiers
  • 2 onderbrigadiers
  • 5 pompiers eerste klas
  • 5 pompiers tweede klas

Art. 3 De wedde van alle manschappen en de kledijvergoeding worden bepaald door de gemeente raad.

Art. 4 Hieronder de toen geldende toelatings voorwaarden.

  • vrijgezel zijn; men mag pas huwen vanaf de graad van onderbrigadier
  • minder dan 35 jaar oud zijn
  • voldoen aan de militiewetten
  • over een gezond lichaam beschikken
  • een bewijs van goed gedrag en zeden voorleggen
  • een stage van 6 maand als vrijwillig pompier doen.

Art.5 De pompiers worden aangeworven door de Gemeenteraad op voorstel van de commandant.

Art.6 De commandant regelt onder de controle van Het College van Burgemeester en schepenen, alle schikkingen voor de dienst.

Art.7 Tuchtstraffen:

  • de berisping
  • buitengewone karweien
  • de afdanking

In 1898 wordt het O.R. als volgt gewijzigd:

Art.1 Onderhouden van elektrische uurwerken en het plaatsen, onderhouden en herstellen van feestmateriaal.

Art.3 Kledijvergoeding per trimester.

Art.7 Tuchtstraffen:

  • de berisping
  • opsluiting in de kazerne
  • degradatie
  • de afdanking

In 1899 wordt voorgesteld aan de brandweerlui die zich goed gedragen, toch toestemming te geven om te trouwen.
 

4° De brandweer tijdens W.O.I


Tengevolge van de aanhoudende beschietingen wordt door het Rode Kruis een reddingswerkdienst opgezet. Vanaf 11 juli 1917 worden lessen EHBO georganiseerd. In geval van alarm zijn de leden gebonden zich onmiddellijk naar vooraf bepaalde plaatsen te begeven waar enig reddingsmateriaal aanwezig is.

1918 - Brand in Capucijnestraat
1918 - brand in Capucijnestraat

In het decembernummer 1920 van de ’Belgische brandweerman’, wijdt Cdt. Welsh een uitgebreide bijlage aan het Oostendse pompierkorps.‘Het bestendige brandweerkorps bestaat uit een beperkt aantal manschappen onder het bevel van een luitenant, doch voor wat het reddingsmateriaal betreft, is het behoorlijk ingericht.

De alarmdienst bestond uit een groot aantal telefoontoestellen en uit een gelijkstroomig telegrafisch net met seintoestellen die dag en nacht in het bereik waren van het publiek en wier seinen door de Mors toestellen van de kazerne werden opgenomen. Het korps beschikte over een waterleiding onder ene druk van drie atmosferen, twee stoomspuiten met ene opbrengst van 2000 liter, ladders op wielen, haspels met een voldoende hoeveelheid slangen, alles in goede staat, …

Een post van 2 man, alle 24 uur afgelost, was in de voorhaven van dienst, en zonder ophouden aan de beschieting door vliegtuigen blootgesteld. Dit personeel was altijd op zijn hoede en werd alle ogenblikken opgeroepen om gewonden te helpen of om doden weg te voeren. Vele gekwetsten zijn hun leven verschuldigd aan de spoedige hulp van de pompiers. De watertoren is vernield geworden: de 2 stoomspuiten werden buiten gebruik gesteld; de eene is met gebroken wiel in eene gracht gevonden; de ketel van de andere was doorgebrand. De seindienst, telefoontoestellen, elektrische brandmelders, Morse toestellen, schakelborden,kompassen, alles werd weggevoerd. Kortom, er bleven uiteindelijk ter beschikking van de brandweer slechts eenige handspuiten met enkele lansen om de talrijke branden te bestrijden.

Wij dienen aan te stippen hoe dapper de Oostendse brandweermannen zich tijdens die treurige dagen hebben gedragen en hoe verdienstelijk, zij jegens hunne medeburgers hebben gemaakt. Terwijl deze in hunne kelders eene schuilplaats zochten, stelden de pompiers zich aan de gevaren bloot en snelden de door eene ramp getroffen ter hulp, midderwijl zij hunne huisgenoten in begrijpelijke angst achterlieten.’

Op 22 oktober 1914 werd een hotel in Mariakerke gebombardeerd. Na dit bombardement schrijft de Duitse plaatscommandant aan de Burgemeester een brief waarvan volgend uitreksel: ‘Het is na de betreurenswaardige gebeurtenissen van 23 dezer niet uitgesloten, dat vijandelijke strijdkrachten uwe stad weder zullen beschieten. Voor dat geval, waarvan ik hoop de bevolking zal gespaard blijven, zend ik U uit voorzorg de volgende onderrichtingen: …

'De pompierskazerne en wijken, evenals de gebouwen waar zich blusgerief bevinden moeten met de pompiers onmiddellijk bezet worden. De commandant der pompiers, de brigadiers en de onderbrigadiers, moeten hunne post innemen; het blushgerief, de wagens en de bespanning moeten in gereedheid gebracht worden.’

Toch bleef het gedurende de eerste jaren van de bezetting relatief rustig in Oostende. De bombardementen van de geallieerden en de beschietingen vanaf zee door Engelse zeebodems werden vanaf 1917 steeds erger.
Om enig idee te hebben van de omstandigheden waaronder de pompiers moesten werken, willen we U enkele voorbeelden niet onthouden uit de lange reeks van interventies opgesomd door Cdt. Welsh.

10-08-1915
Afdak 7 aan de dokken, bevattend honderd wagenladingen hooi raakt in brand door de ontploffing van een zeppelin door de vijand ten val gebracht. Deze brand duurde verschillende weken; de Duitsers bezigden dynamiet om de deuren te doen springen, zonder de pompiers te verwittigen en stelden aldus deze dapperen aan de grootste gevaren bloot, terwijl de Engelse vliegers en de afweer kanonnen zonder ophouden in werking zijn'.
16-10-1917
Een brand in het kantoor der posterijen en telegraaf wordt aangemeld. Ter plaatse aangekomen en na onderzoek door middel van de schutshelm, bestatigen de pompiers dat er weinig vuur doch veel rook is in de gebettoneerdekelders, waar de telegrafische seintoestellen zich bevinden. De gelegenheid was te schoon om ze te laten voorbij gaan; de kelder werd volledig onder water gezet, hetgeen de toestellen onbruikbaar maakte'.
3-11-1917
‘s Middags: een munitiemagazijn staat in brand en zware en talrijke ontploffingen volgen elkander op. Te 16 uur, ontvangt de brandweer het bevel van de kommandatuur het magazijn onder water te zetten. Tot 17 uur duren de ontploffingen voort; ook was het niet zonder gevaar dat de pompiers er uiteindelijk in gelukken den brand te doven  Zij waren verplicht om hunne lansen te richten, zich in eene gracht en op het platte dak van een naburig huis neer te leggen. 20 soldaten werden uiteengerukt, een politieagent werd in zijne woning, op meer dan 100 meter afstand van de brand gedood. …’

Vanaf het begin van de oorlog tot in 31 december 1915 bestaat het korps slechts uit 17 man. Op 17 september 1920 wordt een nieuw O.R. van kracht. Vanaf dat ogenblik beschikken we naast de hoofdpost in de Velodroomstraat, ook over een voorpost aan de Voorhaven.

 

5° De brandweer tijdens W.O.II


Op 15 mei 1940 worden de eerste bommen op Oostende geworpen. 's Avonds op dinsdag 21 mei vallen de eerste brandbommen. De hierdoor onstane branden zorgen voor een ongelijke strijd met de pompiers. Het korps is onderverdeeld in twee secties , sectie I bestaat uit 30 man en sectie II uit 32 man beiden onder leiding van een adjudant . Na de mobilisatie, maar voor de Duitse bezetting, wordt het brandweerkorps versterkt met een aantal hulppompiers, die in twee ploegen worden ingedeeld.

21 mei 1940 - Bombardement Kapellestraat18 mei 1940 - bombardement Kapellestraat

'... Dinsdag 21 mei 1940. 's Avonds om halfzeven worden voor het eerst brandbommen over de stad geworpen. Veel brandbommen vallen in de Christinastraat, waar ze akelige vuurhaarden vormen. In de oude huisjes van de Lijnbaanstraat onstaat er brand die gans de nacht voortduurt. De grote magazijnen op de Hoek van de Witte Nonnenstraat en de Kapellestraat, staan eveneens in brand. Van de nachtelijke verlichting maken vijandelijke vliegers gebruik om opnieuw de stad te bombarderen. Onder dit bombardement, begeleid van mitraileurvuur, is het blussingswerk van ons erg verminderd brandweerkorps een echte heldendaad waardoor het niet genoeg gehuldigd kan worden , ....'

De brandweer van Nieuwpoort, Wenduine en Brugge worden ter hulp geroepen, ... Hevig bombardement op Sas - Slijkens en Opex. Opnieuw bombardement van de Kapellestraat. Het brandt op meer dan 50 plaatsen tegelijk. Brand breekt uit op de Zeedijk, Kemmelbergstraat, Lijnbaanstraat, Ooststraat, Christinastraat, Paulusstraat, Kaaistraat , Kerkstraat, Brusselstraat en Ijzerstraat, ...

De bombardementen houden nog vijf dagen aan . Geen enkel gedeelte van de stad blijft gespaard. Het trieste orgelpunt valt op 28 mei met het bombardement van het Stadhuis en de Stadsbibliotheek waardoor Oostende zijn verleden in enkele ogenblikken zag opbranden.

Op 28 mei 1940 wordt de stad door de Duitsers bezet. De Duitse overheid stelt dat '... alle brandweerkorpsen degelijk zouden worden ingericht en over het vereischte materiaal beschikken'. Daartoe worden bij de firma 'Landuyt' uit Eeklo en bij 'Wasterlein uit Brussel volgende bestellingen geplaatst :

  • 2 motorpompen 'Triumph' 25 P
  • 600 m persslangen 70 mm
  • 400 m persslangen 45 mm
  • motorpomp 'Belford' 50PK
  • 2000 m persslang 70 mm
  • draagbare pomp 15 PK

Tevens kan in de toekomst een beroep gedaan worden op de Duitse brandweerdienst. Vooral de dagen die vooraf gingen aan de eigenlijke bezetting van Oostende (28 mei 1940), waren verschrikkelijk. In die eerste dagen worden 273 woningen totaal vernield, 52 gedeeltelijk vernield, 189 zwaar beschadigd en 1030 licht beschadigd.

 

6° De na-oorlogse periode.


Zoals na W.O.I verschijnt er na W.O.II een compleet nieuw organiek reglement. Op 3 oktober 1947 verschijnt het 'organiek en huishoudelijk reglement'. Aanwervingsvoorwaarden :

  • leeftijd tussen 21 en 30 jaar
  • ten minste 1,52 m groot
  • volledig lager onderwijs genoten hebben
  • slagen in de lichamelijke proeven
  • slagen in een schriftelijk examen: dictee, de 4 hoofdbewerkingen, metriesch stelsel
  • een vakkundige proef afleggen naar keuze: mechanica, houtbewerking of schilderen.

Enkele artikels uit het Huishoudelijk Reglement :

  • brandbestrijding
  • brandvoorkoming
  • toezicht over Turbo-pomp in het Leopoldpark
  • politiehulp bij wanordelijkheden en feesten
  • hulp bij overstroming en grote ongelukken
  • theoretisch onderricht
  • praktisch onderricht

 

7° Oostende als Y-korps.


Het K.B. van 8 november 1967 verdeeld het land in gewestelijke groepen en die groepen in 3 , later in 4 categorien:

  • X - Korpsen: personeel verplichtend beroeps
  • Y - Korpsen: volledig beroeps of gemengd beroeps/vrijwilligers
  • Z - Korps: volledig vrijwilligers
  • C - Autonome gemeenten: mogen enkel op hun grondgebied tussenkomen.

Dit K.B. bepaalt eveneens de minimumpersoneelssterkte en de minimum uitrusting waarover het korps moet beschikken. De Gouverneur bepaalt welke gemeenten bij iedere centrumgemeente zullen behoren. Voor Oostende wordt dit een moeilijke zaak. Naast de vroegere gemeenten Bredene, Stene, Zandvoorde, Oudenburg, Leffinge, Snaaskerke en Ettelgem moeten voortaan ook volgende gemeenten door ons korps beschermd worden: Gistel, Klemskerke, Middelkerke, Roksem, Vlissegem, Westkerke, Wilskerke en Zevekote. De bedoeling van de Gouverneur was duidelijk de brandweer in een aantal goed uitgeruste korpsen te centraliseren en de versnippering over tientallen kleinere entiteiten tegen te gaan.

Die uitbreiding moet natuurlijk gepaard gaan met terug een enorme personeels -en materiaaluitbreiding. In principe is het Oostendse Stadsbestuur akkoord, maar het schrikt voor de zware kosten die dergelijke reorganisatie onvermijdelijk met zich zal brengen. De gouverneur stelt voor de gemeenten Roksem, Wilskerke, en Zevekote aan de bescherming van ons korps te onttrekken.

De definitieve opdeling van de provincie in gewestelijke groepen is een feit op 1 januari 1971. Het grondgebied waarop Oostende moet tussenkomen, wordt beperkt tot: Oostende, Stene, Zandvoorde en Raversijde, Bredene, Oudenburg: het gedeelte ten N.W. van het kanaal Plassendale - Nieuwpoort. en de autosnelweg A10: het stuk tot Jabbeke over het grondgebied Oudenburg.

In 1971 wordt het organiek reglement in een vorm gegoten die, op de bevorderingsvoorwaarden na, vandaag nog altijd van toepassing is.
Hoofdstuk 1. Organisatie, taak, en samenstelling van de brandweerdienst.
Art 1. De brandweerdienst Oostende behoort tot de categorie Y, en is het centrum van de gewestelijke groep.

Voor het eerst is er een volledige lijst opgenomen van alle taken die door de brandweer mogen uitgevoerd worden en dit in overeenstemming van het Ministerieel Omschrijven van 29 november 1967.

  • Vervoer van en zorgen aan een verstikte of aan een drenkeling met aanvoer van zuurstof;
  • Ontploffing;
  • Bevrijden van personen; opgesloten in een lift;
  • Op een dak gevluchte persoon, bijzonder wanneer het om een zwakzinnige gaat;
  • Bevrijden van onder puin of afbraak bedolven personen;
  • Bevrijden van een onder of in een voertuig gekneld persoon;
  • Dringend vervoer van zieken of gewonden, slachtoffers van een ongeval, die zich op de openbare weg bevinden;
  • Bevrijden van geelektrocuteerde personen;
  • Bevrijden van rioolwerkers;
  • Ophalen van een persoon uit een put, kanaal, vijver ,.....;
  • Belemmeringen op de rijweg, met gevaar voor personen en goederen;
  • Bevrijden van een persoon met een der ledematen geklemd in een machine.
  • Ledigpompen van kelders ingevolge overstroming of lekkage van de waterleiding die onder de openbare weg geinstalleerd is;
  • Interventie in een gebouw bij lekkage van schadelijke gassen;
  • Ontsnapping van stoom in een gebouw;
  • Oververhitte verwarmingsketel;
  • Luchtverversing van lokalen waar rook, gas of koudmakend mengsel is binnengedrongen;
  • Interventie voor een viegtuig dat in moeilijkheden verkeert;
  • Interventie bij overstroming of ramp;
  • Neutralisatie van een laag koolwaterstoffen of zuur;
  • Opsporen, van een radioactieve bron die gevaar kan opleveren voor de bevolking;
  • Onschadelijk maken of vernielen van wespen - en bijennesten of - zwermen die gevaar meebrengen voor personen;
  • Het nemen van maatregelen ter voorkoming van brand of onheil in het algemeen;
  • Interventie in alle gevallen in het algemeen, ter bescherming van mensen en goederen

In 1972 wordt de lijst als volgt vervolledigd:

  • De brandbestrijding;
  • De brandvoorkoming;
  • Vervoer van en zorgen aan 'n verstikte of aan 'n drenkeling met aanvoer van zuurstof; .....,

Naast deze opgelegde taken, kan de gemeentelijke overheid deze lijst naar eigen goeddunken aanvullen, voor zover ze nooit een snel optreden van de brandweerdiensten vertragen.

 

KAZERNERING

 

1° Van verscheidene posten naar de Babylonestraat.


Vanaf de oprichting van het brandweerkorps in 1822, wordt het brandweermateriaal over verscheidene posten in, de stad verdeeld. Zelfs na de installatie van het beroepskorps in 1884 blijft het materieel over meerdere posten verdeeld. Meestal gaat het om gebouwen met een belangrijke functie en hoge architectonische waarde, zoals het Kursaal, het Stadhuis, de vismijn, scholen en de hoofdpost in de Babylonestraat.

Die hoofdpost wordt opgericht in 1880 op de binnenkoer van de gevangenis gebouwd in 1840-1841, op de hoek van de H. Serruyslaan en de korte peperstraat. Door de centralisatie van het gevangeniswezen naar Brugge, wordt vanaf 1880 de gevangenis in Oostende nog enkel als doorgeefhuis gebruikt. Vanaf dit ogenblik wordt de gevangenis meer en meer als kazerne ingericht en krijgt de welluidende naam "Stadsstoombrandspuytenhuis". Vanaf 1877 tot 1880 stonden de twee stoompompen "Shand en Mason" opgesteld in de stelplaatsen van de gasfabriek.

Deze houten barakken verkeren echter in een dermate bouwvallige staat, dat er geen enkele bescherming voor het materiaal wordt geboden en dat de bedrijfszekerheid van de pompen niet langer gegarandeerd kan worden. Een bedrag van 7200 frank wordt uitgetrokken voor het oprichten van, een gebouw op de koer van de gevangenis. Dit gebouw wordt ingericht als kazerne voor de pompiers, als stelplaats voor de pomlpen en het reddingsmaterieel. Hierdoor kunnen de overige posten geleidelijk opgedoekt worden.

In september 1880 wordt het huis in de St-Pietersstraat verkocht, in dit huis stond een armpomp opgesteld. Deze kazerne voldoet echter geenzins aan de behoeften. Bij het overschakelen, in 1884 van vrijwilligers- naar beroepskorps, worden een aantal brandweermannen in vast verband aangeworven, die uiteraard over voldoende eet- en slaapgelegenheid moest beschikken.

Naar aanleiding van een brand wordt door de getroffenen naar de stedelijke overheid een bedankingsbrief gericht voor de snelle en vaardige hulp die door de brandweermannen werd geboden. Toch klinkt er een valse noot in de organisatie. Het is immers zo dat de brandweer niet dag en nacht over de paarden kan beschikken nodig voor het trekken van de stoompompen. Daarom blijkt het nodig om over te gaan tot de uitbreiding van de kazerne met een paardenstal.

In 1884 wordt 'n budget voorzien voor de aankoop van een magazijn grenzend aan de gevangenis. Dit is gelegen naast de stelplaatsen van de stoompompen zal op het gelijkvloers 'n stal voor vier paarden en de twee stoompompen ingericht worden. Op de eerste verdieping komt het magazijn en de werkplaats, evenals een slaapzaal voor de manschappen.

Rond 1898 verwijnen de laatste voorposten en wordt 't materiaal naar de Babylonestraat overgebracht. In dat zelfde jaar wordt beslist om de kazerne verder uit te breiden, en dit om volgende redenen; "De kazerne laat veel te wensen over en dit op alle gebied. De stelplaatsen voor de stoompompen en het materiaal zijn te klein. Er is geen plaats om de persoonlijke uitrusting van het personeel te bergen. Evenmin kan men zich tussen de verscheidene stukken materiaal begeven, er is geen ruimte om stoelen en tafels te plaatsen. De trap is te smal om twee personen elkaar te laten kruisen. Verscheiden wagens zoals de mechanische ladderwagen verroesten op de koer. Er is geen droogtoren voor de slangen die soms wel vijtiendagen nat blijven."


1910 - brandweerkazerne aan de Babylonestraat

De nieuwe kazerne zal gebouwd worden op de huidige plaats en op de terreinen die zullen vrijkomen na het onteigenen van de gebouwen op de hoek van de "Rue de Carénage en de Babylonestraat. De kazerne zal bestaan uit:

Op het gelijkvloers

  • 1° Kant Werfstraat: stelplaats voor het materiaal en de politiewacht.
  • 2° Kant Babylonestraat: douches , bureel bevelhebber, verblijf voor bevelhebber, droogtoren, keuken en refter.

Op de verdieping:

  • Slaapzaal, magazijn en werplaatsen.

In 1903 beslist men tot de bouw over te gaan. Daartoe moet de gevangenis worden afgebroken. De voorgaande plannen worden wat gewijzigd en de kazerne zal er als volgt uitzien. Ze wordt begrensd door de H. Serruyslaan, de Babylonestraat en de Aartshertoginnestraat. Op de hoek van de H. Serruyslaan en de Babylonestraat komt de eigenlijke kazerne. In de Aartshertoginnestraat, de stelplaatsen voor de lijkkoetsen.

Kazerne - gelijkvloers

  • Stelplaats voor het materiaal met als uitgang drie poorten
  • Stallingen voor vier paarden.
  • De wacht met alle electrische toestellen, verklikkers, telefoon en telegraaf.
  • Verblijf voor vrijgezellen.
  • Verblijf voor bevelhebber.
  • Toren die dienst doet als oefentoren, uitkijktoren, droogtoren en vasthechtingspunt voor de electrische leidingen die vanuit de kazerne vertrekken.

Kazerne - verdieping

  • Slaapzaal voor 24 - man, sanitai
  • Turnzaal
  • Gebouw voor gehuwden

 

2° Overgang van de Babylonestraat naar Velodroomstraat.


Reeds vanaf 1910 dringt de minister van Wetenschappen en Kunsten er op aan een nieuwe school op te richten op de gronden tussen de H. Serruyslaan en de Aartshertoginnestraat. Daartoe wordt de Babylonestraat gesuplimeerd. Alle gebouwen in die straat met inbegrip van de gevangenis en de brandweerkazerne, zullen daarom gesloopt worden. Gezien de hoogdringendheid waarmee de bouwwerken zullen aangevat worden, kan men niet meer voorzien in de bouw ven een nieuwe brandweerkazerne.
Daarom wordt besloten op de gronden achter het kasteel "Carolinenhof", Velodroomstraat een kazerne op te trekken en de brandweer daar 'voorlopig" in onder te brengen.


zicht op de Velodroomstraat

In het kasteel is de burgerwacht ondergebracht met vier artillerie kannonen. Op de braakliggende gronden wordt een hangaar van 16 x 9m gebouwd als stelplaats voor de brandweer. Tevens wordt beslist aan de Voorhaven een een voorpost op te richten. Op de braakliggende gronden van het 'Carolinenhof' zal immers niet enkel een houten hangar, maar tevens een gebouw in metselwerk opgetrokken worden. De kazerne wordt gebouwd in 1913 en in 1914 in gebruik genomen. Het uitbreken van W.O-I zal verder een en ander dwarsbomen. De verhuis komt er dus inderdaad, maar van de bouw van de meisjesschool is uiteraard geen sprake meer. In de Babylonestraat worden het gevang en de omliggende gebouwen door de Duitsers opgeeist.

 

3° Post Voorhaven.


Reeds vanaf 1910 wordt door de uitbreiding van Oostende richting Vuurtorenwijk enerzijds, en de toenemende activiteit in de haven anderzijds, de noodzaak aangevoeld om aldaar over een voorpost te beschikken. In 1910 wordt een principiele overeenkomst bereikt voor de bouw van dergelijke post. De bemanning moet de brandbestrijding verzekeren in het havengebied en op de Vuurtorenwijk. Een politiewacht wordt eveneens voorzien. de eerste plannen omvatten de bouw van:

  • Een brandweerpost met wachtlokaal, stelplaats, oefen en uitkijktoren, slaap - en eetzaal.
  • Een E.H.B.O. post om bij ongeval de eerste zorgen toe te dienen.
  • Twee politiecellen
  • Een refter voor havenarbeiders.

In 1913 vraagt cdt. Welsch aan het stadsbestuur een voorpost voor de brandweer in te richten dicht bij de haven installaties. In augustus 1913 wordt de openbare aanbesteding uitgeschreven, de plannen werden in dat zelfde jaar door de Goeverneur goedgekeurd. Het gebouw wordt opgetrokken op de hoek van de Tweebruggenstraat en de Cockerilstraat. Het is gebouwd in Renaissancestijl naar de plannen van stadsarchitect Vandammen. Het duurt echter tot 1920 voor de brandweer deze post inneemt. Ze wordt bemand door 1 brigadier, 1 werktuigkundige, 1 onderbrigadier en 6 pompiers. In het zelfde gebouw zijn ook een politiewacht en twee cellen ingericht. Verder zijn een refter en een verplegingszaal voorzien. Tijdens de bombardementen van 1940 wordt het gebouw zwaar beschadigd. 15 augustus 1940: door het ontploffen van een torpille op de kaaimuur, waardoor vier ontploffingen ontstaan wordt het gebouw zwaar beschadigd.

De kazerne en ook de politiewacht worden in die mate beschadigd, dat het stadsbestuur beslist om het gebouw vanaf 1947 te verhuren aan 'Cie Ardennaise de Transport et Messageries de Gand'. In 1952 beslist het S.C. de gronden te verkopen waardoor het gebouw zal afgebroken worden, na twee jaar komen ze echter op die beslissing terug. Het gebouw blijft behouden en zal gerestaureerd worden. Begin 1958 worden de werken aangevat en vanaf 1959 wordt het gebouw gebruikt als politiebureel voor de Vuurtorenwijk en voor het afstempelen van de werkloze havenarbeiders.

In 1972 wordt het geheel met uitzondering van het lokaal bestemd voor het inschrijven van dokwerkers, verhuurd aan "N.V. Ostend Sheernes Freight Ferries" en dit voor één jaar. Later heeft een motorcIub zijn lokalen in ondergebracht en staat het grootste gedeelte leeg.

In 1999 heeft het gebouw plaats moeten maken voor de verbindingsweg Oostende - Bredene.

 

4° De pastoor Pype-school.


Op 10 februari 1939 wordt besloten de gronden met gebouwen, gelegen Velodroomstraat 11 aan te kopen. De vrije Visserijschool "Pastoor Pype was er vroeger in ondergebracht. De gronden worden aangekocht met de bedoeling de bestaande brandweerkazerne, Velodroomstraat 13, uit te breiden. De muur die de kazerne scheidt, wordt gesloopt.


de pastoor Pype school

De pastoor Pype school werd vanaf 1888 als visserijschool gebruikt, voordien was het eigendom van een wijnhandelaar. De school werd echter te vlug klein en in 1893 verhuisde men naar gebouwen op het St.-Petrus en Paulusplein. De gebouwen aan weerszijden van de koer veranderen meermaals van functie. Houten barakken worden bijgebouw en weer afgebroken om plaats te maken voor lokalen in metselwerk. Onder de Duitse bezetting tijdens W.O.-II wordt de muur langsheen de Velodroomstraat afgebroken. Op die plaats komen eerst houten barakken waar ondermeer de kiosken en de muzieklessenaars opgeborgen liggen. Ze doen ook dienst als wagenhuis voor de gezondheidsdienst. De barakken worden spoedig afgebroken. Stelplaats 2 en de grote slaapzaal worden gebouwd.

In 1950 worden de houten loodsen op de koer afgebroken en worden stelplaats 3, het magazijn en de schrijnwerkerij opgetrokken. Het wagenhuis tegen de dwarsmuur deed dienst als stelplaats 1 voor één wagen van de beplantingsdienst en één wagen voor de onderhoudsdienst.

Na de bouw blijft langs de kant Maria Theresiastraat een stuk grond van 656m² over. 26 juli 1955, volgens een rapport van cdt. Vercruysse heeft dit terein voor de brandweer geen verder nut meer. In de G.R. van 30 december 1955 wordt de verkaveling goedgekeurd. De grond wordt in vier bouwpercelen verdeeld en verkocht.

Op 10 juli 1957 worden de nieuwe gebouwen ingehuldigd. Het omvat: stelplaats 4 (ziekenwagens, lijkwagens, wagens stadsbestuur), technische burelen, bureel bevelhebber, turnzaal, archief en tekenbureel.


1957 - inhuldiging nieuw gedeelte door Cdt. Vercruysse

 

5° Van nieuwe kazerne tot verbouwing bestaande kazerne.


De polemiek rond de bouw van een nieuwe kazerne barst in 1972 in alle hevigheid los. In de G.R. van september 1972 wordt het plan naar voren geschoven vanaf 1974 te beginnen met de bouw van een nieuwe kazerne aan de Mercatorlaan op de gronden van de belastingsdienst.

Op de open-deur-dag april 1973 wordt dit plan reeds uitgesteld tot 1975. In 1974 ontstaat het idee om de brandweerkazerne om te bouwen tot cultureel centrum en een nieuwe kazerne te bouwen aan de Gistelsesteenweg op de aldaar gelegen industriegronden. Deze gronden, 32.912m² staan op het gewestplan Oostende-Middenkust getekend als gronden met openbare bestemming. De maquette is reeds klaar en de bouw is gepland voor 1979.

1978 - Maquette kazerne aan de Gistelsesteenweg

Op 24 februari 1978 wordt de procedure gestart voor de bouw aan de Gistelsesteenweg. Een voorontwerp en een kostenraming worden opgemaakt. Als datum voor de aanvang van de werken wordt 1979 vooropgesteld. Ook wordt geopteerd de brandweer samen met politie en Rijkswacht onder te brengen in de leegstaande militaire kazerne aan Desmet de Nayerlaan.

Vanaf 1986 worden nieuwe plannen getekend voor de totale verbouwing van de bestaande kazerne Velodroomstraat. Een nieuwe maquette wordt opgezet. De bedoeling is de bestaande kazerne in fasen af te breken en stap voor stap een nieuwe te bouwen. Voor de noodzakelijke uitbreiding moeten het prefab schooltje en het Carolinenhof Wellingtonstraat eveneens afgebroken worden. In maart 1988 worden de nieuwe maquette en de plannen aan het personeel voorgesteld.


toenmalig Burgemeester Goekint en commandant Duinslager

 

Auteur en foto's: Ronny Villeirs